25/02/2021
bij nr. 21
ongevraagd
ACROSTICHON OF ‘NAAMDICHT’
In ons kunstproject ‘WIE WIJ ZIJN - WIE ZIJN WIJ’ zouden we 10 + 10 collages en gedichten maken, in 10 + 10 dagen, dus één per dag, telkens als reactie op één dagelijkse filosofische vraag van iemand uit Almere. Voordat ik eraan begon, bedacht ik dat het mooi zou zijn om één basisvorm te kiezen waar alle gedichten bij hoorden. Die gedichten waren er natuurlijk nog niet, dus wat voor vorm kon dat zijn?
Dat werd het zgn. ‘acrostichon’, een moeilijk woord voor ‘naamdicht’. Je maakt een gedicht en de eerste letters van de regels vormen een naam, of een woord, van boven naar beneden. Bijvoorbeeld zo:
Moet nog snel even boodschappen doen,
Aardbeien halen en een meloen.
Rozen ook? Goed zeg! Jij krijgt een zoen.
Ik fiets straks fijn door het Robijnplantsoen.
Almere is zo heerlijk groen.
Maar je kunt ook een reeks gedichten maken en dan vormen de eerste letters van elk gedicht die naam. Het ‘Wilhelmus’ zit zo in elkaar. Dat heeft 15 coupletten (ja, echt) en de eerste letters van die coupletten vormen de naam ‘WILLEMVANNASSAV’. (De ‘V’ kon toen ook gebruikt worden voor een ‘U’).
Zo heb ik het gedaan met de 10 + 10 sonnetten. Dat zijn 20 letters.
Ik wilde niet een naam gebruiken, maar een beroemde dichtregel. Dat werd de eerste regel van de ‘Odyssee’ van Homeros, het lange verhalende gedicht in het Grieks, over Odysseus die terugkomt van de strijd bij de stad Troje (in Turkije). Het verhaal laat Odysseus twintig jaar rondzeilen door het hele eilandenrijk van Griekenland en allerlei avonturen beleven.
Die eerste regel is in vertaling ongeveer zo: ‘Vertel me, o Muze, van de man, een handige vent, die vele / avonturen beleefde’. De dichter die het lange epos maakte, doet in de eerste regel net of iemand anders het hem heeft verteld: de Muze, dat is de kunst zelf, voorgesteld als een persoon.
Met dat ‘Vertel me, o Muze, van de man…’ zou ik de oorspronkelijke stelling cq. vraag ‘WIE WIJ ZIJN - WIE ZIJN WIJ’, kunnen beantwoorden met de beroemde vraag aan de kunst om ons het antwoord te geven.
Dat ‘me’ haalde ik er uit, omdat de gedichten voor elke lezer zijn. Dat ‘man’ werd ‘mens’, omdat het verhaal van elke kunstvorm het verhaal is van de mens. Het ‘van’ betekent ‘over’, dan kan ik beter gewoon ‘over’ gebruiken.
Het werd dus: ‘Vertel, o Muze, over de mens’. Leuk, maar een beetje uit evenwicht. Ik wijzigde het in : ‘O Muze, vertel over de mens’. Dat is bijna een ‘retorische’ vraag, dwz. een vraag waar je geen antwoord op hoeft te krijgen. De vraag is zelf een soort antwoord.
Het zijn 21 letters. Moesten het dus 21 gedichten worden? Dat kon misschien wel. Het extra gedicht zou dan buiten de oorspronkelijke opdracht van 10 + 10 vallen en het zou met ‘O’ moeten beginnen.
Toen heb ik de regel omgedraaid: SNEM ED REVO // LETREV EZUM // O
Daarmee werd het extra gedicht het laatste gedicht, sonnet (21). En het klopt prachtig: 10 + 10 + 1 gedicht = 21 gedichten. En dat is het geworden.
Dus: sonnet (1) begint met een ‘S’, sonnet (2) met een ‘N’, sonnet (3) met een ‘E’, enzovoorts. Tot en met sonnet (21), het extra gedicht, dat begint met die laatste of eerste, letter ‘O’.
Het was wel een beetje spannend, want zou ik het 21 gedichten lang kunnen volhouden zonder dat het er gedwongen uitzag? Ik hoop dat dat gelukt is…